Het formuleren van leervragen:

 

Theorie:

 

Leervragen (doelen waaraan je wilt werken) moeten SMART geformuleerd worden, dwz: een leervraag is SMART als het aan een aantal eisen voldoet.

 

SMART =

Ø  Specifiek

Ø  Meetbaar

Ø  Actiegericht (ook wel: Aanwijsbaar of Acceptabel)

Ø  Resultaatgericht (ook wel: realistisch)

Ø  Tijd

 

Leervragen of leerdoelen die Smart zijn, beschrijven een resultaat en blijven niet beperkt tot een inspanning.

 

Toelichting:

 

Specifiek:

Je beschrijft je leervraag in specifieke termen, duidelijk en concreet, niet te algemeen. Het moet een waarneembare actie, gedrag of resultaat beschrijven Naarmate een leervraag preciezer geformuleerd is, wordt het gemakkelijker er invulling aan te geven.

 

Meetbaar:

Meetbaar wil zeggen dat je moet kunnen nagaan of het specifieke doel ook omgezet wordt in handelingen die meetbaar zijn. Het smartdoel doel dat gehaald is, moet te zien, horen, ruiken, voelen etc zijn.

 

Actiegericht:

Het is duidelijk wat je moet (gaat) doen om het resultaat te bereiken.

(Acceptabel: je moet wel gemotiveerd zijn om aan de leervraag te werken).

 

Resultaatgericht:

Verwijst naar de haalbaarheid. Heb je voldoende kennis, capaciteit, middelen en bevoegdheden om je leervragen te beantwoorden? De leervraag moet niet te eenvoudig, maar zeker niet te moeilijk geformuleerd worden. Vaak moet je tijdens het werken aan een leervraag je verdiepen in bijvoorbeeld achtergrondliteratuur.

 

Tijdgerelateerd:

Past binnen een bepaalde tijd, dwz wanneer begin je met je activiteiten en wanneer kun je zeggen dat je je leerdoel gehaald hebt. Wees dus realistisch. Lange-termijn doelen zijn moeilijk SMART te maken.


 

Bewijs het maar eens….:

 

Bij het werken aan leervragen heb je “bewijzen” nodig:

De bewijslast bestaat uit verschillende aspecten (Vakra…):

 

Ø  Authenticiteit

Ø  Relevantie

Ø  Kwantiteit

Ø  Actualiteitswaarde

Ø  Variatie

 

 

Toelichting:

Ø  Authenticiteit: klopt het wat er staat, staat er bijvoorbeeld een naam en/of handtekening onder de gegeven feedback/ beoordeling?

Ø  Relevantie: bewijzen moeten competentiedekkend zijn, dus niet steeds hetzelfde bewijs gebruiken voor verschillende competenties.

Ø  Kwantiteit: uiteindelijk heb je bij een eindassessment 3 bewijzen per bekwaamheidseis nodig.

Ø  Actualiteitswaarde: de bewijzen moeten niet verwijzen naar een ver verleden. (Belangrijk bij EVC, elders verworven competenties).

Ø  Variatie: je hebt verschillende soorten bewijzen nodig (bij voorkeur) per competentie.

 

 


Opdracht 1:

 

Maak de volgende leervragen SMART

 

  1. Ik heb niet zo’n best geheugen en ik ben bang dat ik altijd moeite zal hebben met het leren van namen. Ik vraag me dus af hoe je het beste namen kan leren?????

 

 

  1. Het lijkt me heel moeilijk, zeker als je de leerlingen nog niet goed kent, om orde te houden. Ik wil leren hoe je dat het beste aan kunt pakken.

 

 

  1. Ik heb het vak Zorgverbreding gevolgd en ik wil leren hoe je die kennis in de praktijk, dus in de klas, toepast.

 

 

  1. Ik wil leren hoe je van het ene onderdeel naar het andere onderdeel van de les moet gaan. Ik weet niet goed hoe ik moet afronden… je kan toch niet blijven zeggen: “Zo, nu gaan we iets anders doen…”.

 

 

  1. Ik wil een goede docent worden!

 

 

Opdracht 2:

 

Maak je eigen leervragen SMART  

 

Per 3-tal:

 

  1. Bespreek per student 2 leervragen als voorbeeld en maak die SMART.

 

  1. Bespreek hoe een “bewijs” bij die leervragen eruit zal moeten zien.

 

  1. Maak thuis je overige leervragen SMART en zet ze op shared documents.

 

 © Karina Boom