Reflectie op wetenschap, les 6.

  • Samenvatting en discussie over onderzoek in de sociale wetenschappen.

 

Vragen en thesen ten behoeve van een afsluitende discussie over De Vries (1995), De ontwikkeling van wetenschap. Groningen: Wolters-Noordhoff.

 

In hoeverre kunnen de wetenschapsopvattingen van Popper, Lakatos, Kuhn en Latour een zinvolle bijdrage leveren aan het wetenschappelijk bewijs in het onderwijs?[1]

In de strijd om de juiste methode van onderzoek op het gebied van onderwijs kan men globaal twee standpunten onderscheiden. Aan de ene kant staan de onderzoekers, die vooral geïnteresseerd zijn in empirische analyse. Zij nemen het standaardbeeld van de wetenschap als voorbeeld. Goed onderzoek in het onderwijs ontkomt niet aan grondige kennis van technische vaardigheden zoals dataverzameling, statistiek en methodologie. Veel onderzoek in het onderwijs beschouwen zij als boterzacht, omdat men niet verder komt dan vage reflectieverslagen, “brainstormen, mindmapping en ideeën doorpraten”.[2] Zij lijken in het kielzog van de natuurwetenschap de nadruk te willen leggen op verklaren en voorspellen uitgaande van positieve (harde) feiten. Zij zijn de positivisten.

Daartegenover staan  degenen, die erop wijzen, dat men zich in het onderwijs niet door het traditionele natuurwetenschappelijke standaardbeeld van de wetenschap kan laten leiden. Wetenschappelijk onderzoek in het onderwijs staat te dicht bij de alledaagse leefwereld. Hier is een  praktische benadering meer op zijn plaats dan een louter theoretische of technische. In navolging van de 19e eeuwse wetenschappers  Wilhelm Dilthey (1833 – 1911) en Max Weber (1864 – 1920), benadrukken zij dat de methode in de sociale wetenschap veel meer verstehend, interpreterend of hermeneutisch zal moeten zijn. Het object van onderzoek wordt in zekere zin door de onderzoeker geconstrueerd en bestaat niet los van het subject. Zij plaatsen de context of discovery op de voorgrond en nemen genoegen met evidence-based onderzoek, dat uitmondt in actieonderzoek, waarin begrijpen en verbeteren centraal staan.[3] Zij voelen zich het meeste thuis bij de constructivisten.

De vraag komt natuurlijk op of men beide richtingen wel tegen elkaar uit mag spelen. Kritisch toetsen en data verzamelen staat immers niet haaks op een interpretatieve benadering van de werkelijkheid. De wetenschap is het minste gediend met fundamentalisme en dogmatisme. Veel onderzoekers in de onderwijswereld pleiten dan ook voor een methoden-pluralisme. Hoe dit ook zij, wie onderzoek naar zijn onderwijspraktijk wil doen, zal op zijn minst oppervlakkig kennis moeten hebben genomen van de verschillende standpunten op wetenschapstheoretisch gebied. Uiteindelijk kan geen enkele onderzoeker om de vraag naar de validiteit en betrouwbaarheid van zijn onderzoeksresultaten heen. Daarom zal hij zich van begin af aan bewust moeten zijn van zijn keuzes en van de beslissingen, die hij gaandeweg neemt. (Methode; μεθοδος = weg waarlangs.)  
 

1.       Popper:

Popper is van mening, dat men ook in de sociale wetenschappen wetenschappelijk te werk kan gaan. Hij legt vooral de vinger bij voorspellingen op de lange termijn. Deze noemt hij profetieën. Als voorbeeld van profetie noemt hij de beoefening van sociologie in  navolging van Karl Marx. Daartegenover plaatst hij de studie van Emile Durkheim, Le suicide, als sterk voorbeeld van positivistische wetenschap. Wil sociale wetenschap verantwoord bedreven kunnen worden dan dient deze aan een aantal procedures te voldoen:

·         Falsifieerbaarheid (criterium voor demarcatie).

·         Consensus over basisuitspraken (zoeklichttheorie).

·         Potentiële falsificatoren met oog op hoge corroboratiegraad.

·         Theorie met grote empirische inhoud.

·         Piecemeal social engineering is hier de methode.

Discussievraag:

a.      Hoe zou Popper het evidence-based onderzoek dat Yuri Matteman in De Groene (06.10.2010) beschrijft waarderen? (Zie bijlage.)

b.      Welke concrete stappen zou een wetenschapper in de lijn van Popper voor de uitvoering van dit onderzoek moeten zetten?

c.       In hoeverre vind je Poppers theorie voor zo’n onderzoek in de sociale wetenschap goede handvaten bieden?

 

 

2.      Popper wil vooral rationaliteit in de wetenschap. Theorieën hebben altijd een redelijke grond, een basis van praktische zekerheid. (Die kat zit echt wel op de mat, ook al weet je dat nooit helemaal zeker. We gaan er vanuit.) Die zekerheid wordt ten diepste niet door “naakte feiten” geleverd, maar door de argumenten op grond waarvan consensus is bereikt over basisuitspraken (in een redelijke discussie). Zo houdt Popper in elk geval fundamentalisme buiten de deur. Maar sommigen beweren dat met deze visie alle wetenschap relatief geworden is. Toch beschouwt Popper zich als realist. Er bestaat wel degelijk zoiets als waarheid in de wetenschap.

 

a.      Op welke manier zal Popper het verwijt aan hem dat hij relativist is weten te ontkrachten?

b.      Hoe sterk vind je zijn argumenten daarvoor?


 

 

3.      Lakatos:

Lakatos wil evenals Popper vasthouden aan het redelijke debat. Hij gelooft ook in groei van kennis. Onware theorieën in de wetenschap dienen op grond van argumenten geëlimineerd te worden. Om waarheid van onwaarheid te kunnen onderscheiden, om vooruitgang in de wetenschap vast te kunnen stellen, ontwikkelt hij regels voor  juiste wetenschapsbeoefening, een methodologie van wetenschappelijke onderzoeksprogramma’s. Een sterke kant van zijn visie ten opzichte van Popper lijkt het idee van met elkaar concurrerende (theoretische) modellen in de wetenschap te zijn. Waar Popper grond voor falsificatie ziet, pleit Lakatos vooral voor tolerantie en geduld in de wetenschap. De harde kern van een theorie zal lang met hulphypothesen tegen lastige feiten verdedigd kunnen worden. Natuurlijk wint een heuristisch sterk programma, dat theoretisch en empirisch progressief is, het in een uitputtingsslag van een degenererend programma. Maar wanneer dit onderscheid definitief gemaakt kan worden, blijkt pas “in the long run”, de tijd zal het leren. Poppers falsificatie-these zal op z’n minst bijgesteld moeten worden.

Discussievraag:

In het onderwijs worden aan intelligentietests soms grote waarde toegekend. Niet iedereen is het daar mee eens. Het debat over de betekenis van nature (aangeboren, aanleg) of nurture (cultuur, omgeving) speelt hier een rol. (De Vries blz 125 - 133.)

a.      Hoe zou Lakatos in een analyse van deze discussie te werk gaan?

b.      Op welk standpunt zou hij zich uiteindelijk stellen?

c.       Welk standpunt neem je zelf in dit debat in?

_____________

Popper en Lakatos leveren krachtige pleidooien voor een permanente en rationele discussie onder wetenschappers. Wetenschap leeft van twijfel, maar op grond van goede argumenten (en de juiste procedures) kunnen er altijd verstandige beslissingen genomen worden.

In de jaren zestig is op dit vertrouwen in de rationaliteit veel kritiek gekomen in navolging van de Frankfurter Schule. Vooral het boek van Max Horkheimer en Theodor Adorno, Dialektik der Aufklärung stelde kritische vragen aan het project van de Verlichting. Wat is er van het optimistische vertrouwen in de rede eigenlijk terecht gekomen? Het sapere aude, durf te denken, “das Austreten des Menschen aus seiner selbstverschuldigten Unmündigkeit” (Immanuel Kant), heeft minstens ook een keerzijde.[4]

Het is waar, dat er in de wetenschap sprake is van “der eigentümliche zwangslose Zwang des besseren Arguments”.[5] Zo’n rationele discussie op grond van dezelfde uitgangspunten en doelen kunnen mensen best voeren. Maar men mag niet over het hoofd zien, dat consensus soms ook bereikt wordt op grond van zichtbare of onzichtbare dwang. Voor deze feitelijke dwang vraagt Thomas Kuhn vanuit een geheel andere traditie overigens dan de denkers van de Frankfurter Schule, expliciet aandacht. Michel Foucault ontwikkelt in zijn boek Les mots et les choses onafhankelijk van Kuhn dezelfde stellingen. Hij richt zijn onderzoek veel meer op de geesteswetenschappen dan Kuhn.

____________

4.      Kuhn:

Wat Kuhn na studie en analyse van wetenschappelijke revoluties vooral  interesseert is de vraag hoe feiten “in artikelen en leerboeken vorm hebben gekregen door de activiteiten van onderzoekers die in een wetenschappelijke gemeenschap zijn verenigd.” (De Vries, 1995. 137) Zijn perspectief is pragmatisch en anthropologisch. Feiten bestaan niet, maar worden gaandeweg geconstitueerd tijdens een wetenschappelijke praktijk van onderzoekers. Wetenschapsbeoefening is in de eerste plaats problem solving binnen een geaccepteerd theoretisch raamwerk, een paradigma. Lastige feiten leiden niet direct tot falsificatie, zoals Popper beweerde. De keuze voor een nieuw paradigma wordt in hoge mate door niet-rationele factoren bepaald. Leven, werk, taal en wetenschappelijke gemeenschappen, waarin men zijn disciplinaire matrix aangereikt krijgt, zijn allemaal van invloed op het wetenschappelijke bedrijf. De aard van wetenschappelijke kennis dient dan ook vooral sociologisch onderzocht te worden.

Vraag:

In de onderwijskunde heeft het behaviorisme lange tijd als gangbaar leertheoretisch paradigma gegolden. Later werd deze ingeruild voor het constructivisme.

a.      Hoe zou je in het licht van Kuhn deze verandering van paradigma moeten analyseren en verklaren?

b.      In hoeverre kun je op grond van Kuhn’s visie beoordelen welk paradigma beter is?

c.       Op grond van welke redenering zou Lakatos een beslissing voor één van deze theorieën genomen hebben?


 

 

5.     Bruno Latour

 

 

Wetenschap heeft nog maar weinig met natuur te maken, zegt Latour. Wetenschap is in feite tekstverwerken. In een proces van “beweren, splitsen en inverteren” worden feiten geconstrueerd. Teksten worden verplaatst en krijgen in een nieuwe context een nieuwe betekenis (door translatie).  Gezaghebbende teksten worden tot verplicht passagepunt (strategisch knooppunt) verheven. Ontdekken is tot orde aanbrengen in een web en in een chaos van teksten ge-(ver-)worden. Succes is pas verzekerd als een gemeenschap van wetenschappers besluit, dat er gepubliceerd mag worden. Een publicatie is  “hard” genoeg als het bij het gangbare wetenschappelijke discours aansluit en daarin past. Natuur uitspelen tegen cultuur is in de ogen van Latour volledig zinloos. De kloof die in de ogen van positivisten tussen subject en object misschien nog leek te bestaan, is een fictie of is op zijn minst vloeiend geworden.

 

 

Discussievraag:

 

Belicht de stelling van Oonk (2007, p. 4)[6] vanuit het perspectief van Latour:

 

Bij internationale uitwisselingen binnen Europa waarbij Nederlandse leerlingen uit het voortgezet onderwijs in gastgezinnen minimaal 2 weken verblijven en de doeltaal spreken is een vooruitgang in luister- en spreekvaardigheid in de betreffende taal te constateren.

 

a.      Welke vragen zal Latour op zijn minst aan dit artikel stellen om het wetenschappelijk karakter ervan vast te kunnen stellen?

b.      In hoeverre levert Latours wetenschapsopvatting een bijdrage aan het overbruggen van de tegenstellingen tussen positivisten en constructivisten?


 

 

6.      Milieubeleid kritisch bekeken:

Discussievraag:

Vier wetenschappers elk uit een andere school (Popper, Lakatos, Kuhn en Latour) discussiëren over de vraag Is milieubeleid wel nodig? Hoe zal deze discussie tussen hen verlopen?

[ Zie de tekst hieronder en bekijk eventueel de uitzending onder deze link:

http://www.novatv.nl/page/detail/uitzendingen/7575/Groeiende+twijfel+over+opwarming+aarde#

Strijd om de de allerbetrouwbaarste kennis.

Is er voldoende aangetoond dat het klimaat verandert door menselijk handelen? Belangrijke vragen nu regeringen miljarden moeten gaan vrijmaken om de opwarming van de aarde tegen te gaan.

Onzin

De twijfel over de klimaatopwarming wordt gevoed door een reeks fouten in het zogenoemde IPCC-rapport, het belangrijke VN-rapport over de wereldwijde opwarmingsverschijnselen. De bewering dat de gletsjers in de Himalaya in 2035 verdwenen zouden zijn, blijkt onzin. De directeur van het VN-klimaatpanel, de Indiër Rajendra K. Pachauri, doet de fouten af als een onschuldige verschrijving.

Kennis

De sceptici vallen uiteen in twee groepen: sommigen betwisten dat de aarde opwarmt, anderen dat menselijk handelen er de oorzaak van zou zijn. Beide groepen vechten de gegevens aan waarop de opwarmingstheorie is gebaseerd.

Wie heeft er gelijk?]

______________

 

7.      Belicht een onderwijskundig artikel vanuit het standpunt van de vier wetenschapsfilosofen die De Vries behandelt.

 

(Zie voor de eisen die aan het essay gesteld zijn de reader Reflectie op Wetenschap. Kies voor het essay in elk geval Popper en één andere wetenschapsfilosoof. Je eigen visie op demarcatie moet je expliciet beschrijven.)


 

 

Bijlage: Wetenschappelijk bewijs in onderwijs

Yuri Matteman.

Je gaat naar de huisarts. Rugklachten. Binnengekomen in de behandelkamer onderzoekt de arts je en schrijft een nieuw medicijn voor. Hij heeft het medicijn zelf ontwikkeld en door middel van een aantal interviews met gebruikers en andere artsen vastgesteld dat het werkt. Zou je dit medicijn met veel vertrouwen innemen?

Het is te hopen van niet. Er zijn door de wetenschap methodes ontwikkeld om ervoor te zorgen dat we zo objectief mogelijk kunnen onderzoeken of medicijnen werken. Dat gebeurt in dubbelblinde, gecontroleerde klinische trials. Evidence-Based Medicine noemen we dat.

Het scenario uit de eerste alinea is achterhaald voor medicijnen, maar het is precies hoe onderwijs ontwikkeld wordt en vervolgens de klas ingaat. De enige maat lijkt vaak: willen docenten het lesmateriaal gebruiken en halen we de eisen die het curriculum stelt?  Leren is meer dan dat: bestaan er alternatieve vormen van leren die (beter) werken en kunnen leerlingen het geleerde ook buiten school inzetten? Dat zijn belangrijke vragen die bijna geen rol spelen bij onderwijsontwikkeling.

En dat terwijl er voldoende wetenschappelijk onderzoek aan leren wordt gedaan. Bijvoorbeeld in het vakgebied dat Technology Enhanced Learning heet. De onderwijskundigen in dit veld willen weten of ondersteuning door nieuwe technologieën tot betere leerresultaten leidt, denk aan hogere cijfers, beter begrip of het langer onthouden van kennis.

De onderwijskundigen Vanessa Peters en Jim Slotta deden de afgelopen jaren onderzoek waaruit blijkt dat leerlingen betere resultaten kunnen halen wanneer bekende Web 2.0 principes worden ingezet. In dit geval the wisdom of crowds, de kennis van velen.

Je ziet op internet talrijke gemeenschappen waar mensen samenwerken om kennis op te bouwen en te gebruiken. Bij Wikipedia stelt een grote groep mensen gezamenlijk een gigantische, accurate encyclopedie samen. Ook boeken die je worden aangeraden op bol.com zijn een resultaat van geaggregeerde kennis, namelijk wat iedereen koopt en de koppeling van die informatie. Leerlingen kennen zulke gemeenschappen of zijn er deel van. Kunnen ze nut hebben in onderwijs?

Peters en Slotta laten zien dat wanneer 104 leerlingen samenwerken in een kennisgemeenschap, betere eindexamenresultaten behaald worden. In twee lessenseries, respectievelijk over menselijke ziektes en Canadese biodiversiteit, werken leerlingen in groepjes gezamenlijk aan het bouwen van een wiki. In deze wiki plaatsen en bewerken leerlingen zelf opgezochte informatie in verschillende pagina’s, bijvoorbeeld astma of de Atlantische Oceaan, en verschillende groepjes werken aan dezelfde pagina’s. Ze creëren dus als een groep de leerstof en omdat ze de druk van gezamenlijke verantwoordelijkheid voelen, doen ze flink hun best. Hierbij worden ze begeleid door docenten en technologie (bv. door makkelijk nieuwe pagina’s te kunnen maken en simpele, goedwerkende invulformulieren aan te bieden). Nadat de wiki-pagina’s zijn opgeleverd moeten de leerlingen een opdracht uitvoeren, gebruikmakend van de informatie geschreven door hun schoolgenoten.

De ervaringen van leerlingen en docenten waren overwegend positief, maar dat is niet alles. In beide gevallen deden de leerlingen het significant beter op de onderwerpen van de lessen op hun eindexamen dan leerlingen van dezelfde docenten in voorgaande jaren. Op andere onderwerpen scoorden deze leerlingen gelijk aan voorgaande jaren. Dat is een bijzonder resultaat. Peters en Slotta stellen empirisch vast dat je door middel van een kennisgemeenschap leerlingen beter kan laten leren. Het wachten is nu op de resultaten van volgend jaar, als de lessen zonder de onderzoekers erbij worden uitgevoerd. Bij gelijke resultaten kunnen we werkelijk spreken over Evidence-Based Education.

Dit stuk verscheen ook in de Groene Amsterdammer, nummer 40 / 6 Oktober 2010


 

[1] Maak met je leerteam een keuze uit onderstaande vragen. Je mag ook met vraag 7 starten.

[2] Everaert, H., van Peet, A. (2010). Kwalitatief en kwantitatief Onderzoek in teacher research in het HBO. In Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 49, 1/2. Amersfoort: Uitgeversbond.

[3] Ponte, P. (2006; 2002). Onderwijs van eigen makelij. Soest: Nelissen. 21.

[4] Horkheimer, M., Adorno, TH. (1944; 1969), Dialektik der Aufklärung. Fr. am Main: S. Fischer Verlag.

[5] Koningsveld, H., Het verschijnsel wetenschap. Meppel: Boom. 68. Koningsveld citeert J. Habermas.

[6] Oonk, H. (2007). Europa als leeromgeving voor vreemde talen. Levende Talen Tijdschrift, 1, 3 – 10.