Reflectie op wetenschap, les 5.

 

  • Bespreking van Lakatos'methodologie van wetenschappelijke onderzoeksprogramma's.

  • Terugblik op Kuhn.

  • Bespreking van de gevonden artikelen in het licht van Popper en Kuhn.

  • Naar een pragmatisch waarheidsbegrip.

De Vries (1995). Hoofdstuk 3.3 en 3.5.

 

De Vries (1995). Lakatos’ methodologie van wetenschappelijke onderzoeksprogramma’s. Hoofdstuk 3.3 en 3.5.

Imre Lakatos

Hoewel de betekenis van het werk van Lakatos  voor gebruik in de sociale wetenschappen nogal ter discussie staat, is het beslist niet zinloos om nauwkeuriger van zijn methodologie kennis te nemen.  Het lijkt alsof Heinze Oost zich in zijn boekje Een onderzoek voorbereiden, het boek dat voor praktijkonderzoek vaak gebruikt wordt, regelmatig door Lakatos laat inspireren. Lakatos was oorspronkelijk wiskundige. Hij was met name geïnteresseerd in goede regels voor de onderzoekspraktijk. Op fundamentele wetenschapstheoretische vragen gaat hij echter niet in. Dit levert misschien wel een bruikbare methodologie op, maar dan alleen binnen het kader van Poppers filosofie, waarmee in de sociale wetenschappen altijd kritisch omgegaan zal moeten worden.

Lakatos zet de deur wel verder open voor het hanteren van het modelbegrip in de wetenschap. Zolang onderzoek iets oplevert en relevant blijkt voor extern-wetenschappelijke problemen, dan zal het veelal voortgezet worden. De vraag naar feitelijke waarheid of het vergroten van empirische inhoud, is daarbij van minder groot belang. Veeleer telt de vraag of het gehanteerde model nog vruchten afwerpt. Wat dit betreft staat ook Lakatos misschien helemaal niet zover  van Kuhn af, als hij zelf misschien wel had gewild …. Het wetenschappelijk bewijs in het onderwijs verloopt in elk geval anders dan in de natuurwetenschappen, dat mogen we bij de vraag naar de toepassing van Lakatos’ wetenschapsfilosofie niet uit het oog verliezen. De Vries wijst hier nog eens expliciet op in de behandeling van de vraag naar de waarde van intelligentietests. (blz 133)

 

1.       Kritiek op het werk van Kuhn bleef niet uit. Welke kritische vragen (minstens 5) werden er spoedig na het verschijnen van The structure of scientific revolutions aan de wetenschapsfilosofie van Kuhn gesteld? (108, 109)

 

2.      Lakatos noemt zich tegenover Kuhn een demarcationist. Welke kritiek uit hij daarmee op een essentiële stelling van Kuhn? Vind je die kritiek (zo op het eerste gezicht) terecht? (109)

 

3.      Karakteriseer met een aantal kernwoorden (4) de “methodologie van wetenschappelijke onderzoeksprogramma’s”. (109)

 

 

Lakatos is het met Kuhn eens waar hij Popper’s theorie van de falsificatie bijstelt. Hij verwijt Kuhn echter irrationaliteit als het gaat om vooruitgang en groei van de wetenschap, omdat Kuhn per definitie uitgaat van incommensurabiliteit van paradigma’s. Dit doet volgens Lakatos geen recht aan de feitelijke gang van zaken binnen de wetenschappelijke praktijk. Er is wel degelijk een permanente discussie gaande in de wetenschap over fundamentele zaken als houdbaarheid van bewijzen , tegenvoorbeelden en uiteindelijke weerleggingen van oorspronkelijke vermoedens en theorieën. Kritiek is als het goed is dagelijkse praktijk en niet alleen voorbehouden aan tijden van crises of wetenschappelijke revoluties (waarin men elkaar niet meer goed verstaat).

 

 

4.      Lakatos gaat voor zijn methodologie uit van de wiskunde. Wat is volgens hem de formele structuur van elk bewijs? (110, 111, tm alinea 1)

 

5.      In de wetenschap zoek je naar bewijzen voor je vermoedens en je these, maar je gaat tegenvoorbeelden intussen niet uit de weg. Aan de hand van een voorbeeld uit de astronomie (blz 112) maakt Lakatos de tweede regel uit de heuristiek (wat te doen met tegenvoorbeelden?) duidelijk. Eigenlijk was Newton en waren zijn navolgers meesters in deductief gissen. Welke waarde kent hij in dit verband aan tegenvoorbeelden ? (111 – 113)

 

6.      Popper was snel geneigd om theorieën over boord te zetten als zich tegenvoorbeelden aandienden. Kuhn verweet hem dat hij weinig oog had voor “normale wetenschap”. Lakatos vindt Popper wat dit betreft ook nogal “naïef”. Natuurlijk zal elk zichzelf respecterende wetenschapper op een bepaald moment verouderde theorieën over boord (moeten) zetten. Wanneer zal dat moeten gebeuren, welk hard criterium formuleert Lakatos daarvoor, wil er nog sprake zijn van rationele wetenschap?

 

7.      Wat verstaat Lakatos onder een theoretisch progressief onderzoeksprogramma?

 

8.     Kuhn had gezegd, dat er geen logisch dwingende reden is om een theorie te verlaten. Hier zijn vaak externe factoren van invloed (macht, geldstromen, belangen enz.). Lakatos formuleert regels voor het inruilen van oude onderzoeksprogramma’s voor nieuwe. Welke regels geeft hij daarvoor? (114 – 115)

 

9.      Inconsistenties kun je buitenspel zetten door een verbod op kritiek op de harde kern van een theorie. Een voorbeeld daarvan is het model van Bohr (116). Kun je voorbeelden noemen uit de sociale wetenschappen waar dit ook gebeurt?

 

10.   In hoeverre vind je deze wetenschappelijke praktijk die Lakatos voorstelt een verbetering ten opzichte van Kuhn? (117 – 118) Wat zijn de sterke punten?

 

11.   Als je denkt aan definities van “waarheid”, aan de correspondentietheorie  (Poppers realisme) en de coherentietheorie (relativisme van Kuhn), waar zou je Lakatos’ visie dan kunnen plaatsen? (118)

 

12.  In 3.5 bespreekt De Vries aan de hand van het voorbeeld van intelligentietests de vraag in hoeverre de sociale wetenschappen zich op grond van de methodologie van de natuurwetenschappen laten beoordelen. Wat is zijn conclusie? Wat is jouw mening hierover? (125 -133)