Reflectie op wetenschap, les 4.

 

 

De Vries (1995). Hoofdstuk 3 en 4 (3.1, 3.2; 4.1, 4.2).

Kuhns revolutie: van kennistheorie naar anthropologie van de wetenschap.

 

De Vries poneert de stelling, dat de aanval van Kuhn op Popper frontaal is (97). Deze stelling zou je in het licht van Poppers visie op consensus over praktische zekerheden (denk aan de moeras-metafoor, de afgesproken zoeklichttheorie en de op consensus berustende basisuitspraken) als laatste bottom of knowledge op zijn minst moeten nuanceren. Naakte feiten bestaan volgens Popper immers niet. Kuhn gaat wel een stap verder, maar ten diepste verschilt hij hierin niet erg van Popper.  Hij denkt logisch in het spoor van Popper verder na over de aard van de brug die wetenschap tussen kennis (subject) en wereld (object) in de loop van de geschiedenis heeft geslagen.

 

Wat Kuhn na studie en analyse daarvan vooral  interesseert is de vraag hoe feiten “in artikelen en leerboeken vorm hebben gekregen door de activiteiten van onderzoekers die in een wetenschappelijke gemeenschap zijn verenigd.” (137) Zijn perspectief is pragmatisch en anthropologisch. Feiten worden geconstitueerd. (135 - 137)

 

 

1.      Kuhn wijst op het belang van leerboeken in de wetenschap. Zulke inleidende boeken dragen een gemeenschappelijke vaktaal over en onderwijzen in de handgrepen voor goed onderzoek. Ze zijn dus onmisbaar. Toch noemt De Vries twee voorbeelden (de wet van behoud van energie, de ontdekking van zuurstof), voorbeelden die hij aan het werk van Kuhn ontleent, om de zwakke punten van zulke leerboeken te demonstreren.  Wat bevalt Kuhn in de meeste van deze leerboeken vooral niet? (97 – 101)

 

 

2.      Normale wetenschap is niet meer dan puzzels oplossen, zegt Kuhn. Wetenschap vindt plaats binnen de regels van een afgesproken, theoretisch  raamwerk. Hij noemt het zelfs een nogal esoterische bezigheid. Maar er komen ook revoluties voor. In hoeverre levert Kuhn met zijn visie op normale wetenschap en revoluties in de wetenschap kritiek op Popper? (101 – 104)

 

3.      Wat is de primaire betekenis van een paradigma? (102)

 

4.      Kun je voorbeelden van de rol van paradigma’s in deze betekenis binnen de  onderwijskunde geven?

 

5.      Kuhn  stelt vraagtekens bij de (Popperiaanse) wetenschapsfilosofie, waarin uitgegaan wordt van een voortschrijdende ontwikkeling van de wetenschap. Hij geeft hiervoor drie argumenten:

 

-         Er zijn geen dwingende keuzes op grond van methodologie  voor een bepaalde theorie. (104)

-         Als toetsen kan, hoeft het niet en als het moet kan het niet. (105)

-         “… the historian of science may be tempted to exclaim that when paradigms change, the world itself changes with them.” (Kuhn, 1962, 111) “… de wetenschapshistoricus is geneigd te stellen, dat wanneer paradigma’s veranderen, de wereld mee verandert.” (107)

 

Leg deze argumenten van Kuhn uit.

In hoeverre vind je ze steekhoudend?

 

6.      “Feiten worden geconstitueerd”, zegt Kuhn. Poppers theorie over de methode in de wetenschap is ontoereikend om de keuze tussen theorieën te kunnen verklaren.

 

Het lijkt alsof Kuhn Brechts Leben des Galilei goed gelezen heeft. De kardinalen weigeren door de telescoop van Galilei te kijken, maar ze zouden ook niets anders gezien hebben dan wat zij dagelijks zagen, namelijk, dat de zon ’s morgens opkomt en ’s avonds weer ondergaat. Zij dachten nog binnen het oude paradigma van Ptolemaeus, terwijl Galilei  vanuit een heliocentrisch denkraam, geheel in de lijn van Copernicus dacht. De kardinalen spraken nog een andere taal. (zie ook: H. Koningsveld, 2006. Blz 137)

 

In dit verband wijst Kuhn op een diepere betekenis van het begrip paradigma en paradigmawisseling. Welke belangrijke elementen spelen daarin een rol? (137 – 140)

 

 

7.      Kuhn heeft de deur opengezet voor het afscheid van een puur empiristisch standaardbeeld van wetenschap. Niet de context of justification staat op de voorgrond, maar vooral de context of discovery. De aandacht is verschoven naar de sociale kanten van de productie van wetenschappelijke kennis.  (Par. 4.2; 143 – 144 en 148 – 149 voor een samenvatting. Verder vind je in deze paragraaf voorbeelden van de toepassing van dit perspectief.)

 

-      Aan de hand van welke begrippen zou je het door jouw gekozen artikel in het licht van deze sociologische benadering van kennis moeten ondervragen?

-      De sociologie van de wetenschappelijke kennis wordt wel relativistisch genoemd (tegenover de realistische visie). In hoeverre vind je dit een vruchtbare benadering van de wetenschappelijke praktijk?