ROW LES 2

 

 

 

Samenvatting: Popper in hoofdlijnen.

 

 

Hoofdstuk 2. Poppers filosofie van wetenschappelijke kennis

 

De vragen zijn een hulpmiddel bij het lezen van en discussiëren over dit hoofdstuk.

 

1.      Poppers filosofie zou je tot zes grondideeën kunnen terugbrengen (De Vries blz 53). Welke van deze is volgens jou het meest fundamenteel. Geef je argumenten.

 

2.      Alle zwanen zijn wit en de kat zit op de mat zijn steeds terugkerende uitspraken in de filosofie van Popper. Hij gebruikt ze om aan te tonen, dat hij inductie als fundament van een wetenschappelijke praktijk niet nodig heeft. Om welke twee redenen verwerpt Popper inductie? (54, 55)

 

3.      Als pure waarnemingsuitspraken (denk aan de geest als spiegel van de natuur  in de 17e eeuwse wetenschap) door Popper radicaal verworpen wordt als fundament van wetenschap, wat is volgens hem dan wel een goed criterium voor onderscheid tussen wetenschap en pseudo-wetenschap? (56 – 59)

 

4.      In paragraaf 2.2 legt De Vries uit dat Popper door zijn afwijzing van inductie er een bijzondere opvatting omtrent ervaring op na houdt. Je kunt theorieën niet toetsen door middel van een eenvoudig beroep op ervaring. Welke vier manieren stelt hij voor om theorieën te toetsen en van elkaar te onderscheiden? (61 – 67)

 

5.      Popper vergelijkt de empirische basis  van wetenschap met pijlers, die men in een moeras neer laat.  “De wetenschap is niet op rotsen gebouwd, maar veeleer op een moerasland waarboven zich dapper de constructies van haar theorieën verheffen.” (Logik der Forschung, 75) In hoeverre is deze metafoor (bij De Vries op blz 64) kenmerkend voor de filosofie van Popper? Vind je dit een sterk of een zwak element in zijn gedachtegang?

 

6.      Popper zegt iets over de puur logische vorm van een falsifieerbare theorie en over de voorwaarden waaronder een theorie gefalsifieerd kan worden. Dat doet hij door gebruik te maken van de begrippen potentiële falsificatoren, cruciale tests en basiszinnen. Leg dit uit. (De Vries, 58; 62 – 64)

 

7.      Het begrip ervaring, empirie keert terug in wat Popper zegt over de corroboratiegraad. Wat houdt corroboratie in? Welk verband bestaat er tussen empirische inhoud van een theorie en corroboratie? (65 – 66)

 

8.      Popper vindt Marx’ politieke filosofie van de klasseloze maatschappij en het ineenstorten van het kapitalisme onwetenschappelijk, maar Durkheims verklaring van een verschijnsel als zelfmoord niet. Beredeneer hoe en waarom hij de eerstgenoemde theorie afwijst als onwetenschappelijke profetie en Durkheims visie als juist beoordeelt. (67 – 72; 2.4)

 

9.      Op welke manier zou een sociale wetenschapper uit de school van respectievelijk Popper, Peter Winch en Max Weber het verbod op het dragen van hoofddoekjes, zoals de PVV dit in Nederland voorstaat, analyseren en beoordelen? (§ 2.4)

 

10.  In hoeverre bestaat er eigenlijk wel waarheid of objectieve kennis volgens Popper? (§ 2.5 en 6)