ROW LES 1

  De Vries Hoofdstuk :

 

  • Vragen bij hoofdstuk 1

 Vries, Gerard de (19953; 1984). De ontwikkeling van wetenschap. Groningen, NL: Woltersgroep.

 Vragen bij hoofdstuk I: Het ontstaan van de wetenschappelijke problematiek.

 De vragen kunnen als leeswijzer gebruikt worden.

1.       Welke drie argumenten rechtvaardigen het nut van wetenschapsfilosofie? (9)

 

2.      Aan welke criteria moet wetenschapsfilosofie voldoen? (10)

 

3.      Welke ontwikkelingen in de wetenschap geven volgens De Vries direct aanleiding tot wetenschapsfilosofisch onderzoek? (11)

 

4.      In hoeverre kan wetenschap als eenheid worden opgevat? (12 – 13)

 

5.      In de geschiedenis van de wetenschapsfilosofie wordt in de eerste plaats de 17e eeuw aangewezen als de tijd van een wetenschappelijke revolutie. Wat was hier zo revolutionair? (Noem tenminste ook twee namen en methodes; 13)

 

6.      De Vries gaat in op twee verklaringen, die van E. Zilsel en E. J. Dijksterhuis, voor het feit dat er juist in de 17e eeuw een wetenschappelijke revolutie plaatsvond. Waarin komen ze overeen en waarin verschillen de verklaringen? (14 – 15)

 

7.      Met Galilei komt het Aristotelische denkraam in beweging en ontstaat er een nieuw denkkader voor wetenschappelijk onderzoek. Leg uit waarin het nieuwe van dit denkraam bestond. (Doe dit aan hand van tenminste vier begrippen; 16 – 20.)

 

8.     Met het verlaten van het Aristotelische wereldbeeld ontstaan er twee tradities in de natuurwetenschap. Op welk kennistheoretisch probleem bij Aristoteles proberen zij een antwoord te geven? In hoeverre is dat gelukt? (20 – 24)

 

9.      Noem voorbeelden uit de huidige discussies binnen de psychologie en onderwijskunde, die je direct zou kunnen terugvoeren op het probleem waarmee Descartes ons heeft opgezadeld. (24 – 26)

 

10.  De ontwikkeling van de sociale wetenschappen wordt verbonden met drie grote namen: Karl Marx, Emile Durkheim en Max Weber. Alle drie willen antwoord geven op sociale vraagstukken van hun tijd. Binnen de sociologie leidt dit in hun voetspoor later tot een methodenstrijd. In hoeverre kun je hier vaststellen welke methode de juiste, het meest wetenschappelijk is? (27 -36)

 

11.   In de twintigste eeuw maakt het denken van Albert Einstein en Max Planck korte metten met de fictie van de zuivere spiegel van ons kenapparaat. Met andere woorden: experiment en onbevooroordeelde waarneming helpen de wetenschap niet altijd verder, maar de denkkracht van een kennend subject juist wel. De Vries legt uit dat wetenschap of in elk geval vooruitgang in de wetenschap, kennelijk heel wat minder objectief verloopt, dan velen denken. (41 – 45)

 

Dit alles leidt in het voetspoor van de Wiener Kreis tot een nieuwe definitie van wetenschap en een nieuwe visie op de rechtvaardiging van wetenschappelijke kennis.  Geef met enkele kernwoorden aan waar deze visie uit bestond. (45 – 52)

 

12.  De Vries geeft in hoofdstuk 1 geen definitie van wetenschap of wetenschappelijke kennis. Probeer deze begrippen zelf te definiëren.